Het selecteren van de juiste kijkhoek voor een beveiligingscamera bij de entree of oprit bepaalt of u bruikbare, scherpe beelden vastlegt of slechts onherkenbare contouren. Door de basisprincipes van de optica en geometrie toe te passen, stemt u het gezichtsveld nauwkeurig af op de specifieke afmetingen van uw buitenterrein.
De fysica achter de kijkhoek: brandpuntsafstand en sensorgrootte
De kijkhoek van een camera, ook wel het gezichtsveld (Field of View of FOV) genoemd, wordt rechtstreeks beïnvloed door twee fysieke componenten: de brandpuntsafstand van de lens (uitgedrukt in millimeters) en de fysieke afmeting van de beeldsensor (bijvoorbeeld 1/2.8 inch of 1/3 inch). Hoe kleiner de brandpuntsafstand, hoe breder de kijkhoek.
- 2.8 mm lens: Biedt een brede horizontale kijkhoek van ongeveer 100 tot 110 graden. Dit is ideaal voor het bewaken van grote oppervlakken van dichtbij, zoals een compacte entree direct bij de voordeur.
- 4 mm lens: Heeft een smallere kijkhoek van circa 80 tot 90 graden. Deze lens biedt een betere balans tussen overzicht en detail, wat perfect is voor een gemiddelde oprit waar voertuigen op middellange afstand passeren.
- 6 mm lens of hoger: Resulteert in een smalle kijkhoek van 50 graden of minder. Dit concentreert de beschikbare pixels op een specifiek punt in de verte, uitstekend geschikt voor een toegangspoort aan het einde van een lange oprit.
Een veelgemaakte fout is het kiezen van een extreem brede hoek om 'alles' te zien. Dit veroorzaakt echter optische vervorming (het zogenaamde fisheye-effect) en verspreidt de resolutie over een te groot oppervlak, waardoor details zoals gezichten of kentekens op een afstand van meer dan enkele meters onleesbaar worden.
Het DORI-principe toepassen op uw oprit en entree
Om te bepalen welke lenssterkte en hoek nodig zijn, gebruiken professionals de internationale EN 62676-4 norm, bekend als de DORI-standaard. DORI staat voor Detecteren, Observeren, Herkennen en Identificeren. Elk niveau vereist een specifieke pixeldichtheid op het doeloppervlak, gemeten in pixels per meter (px/m):
- Detecteren (25 px/m): Vaststellen of er een persoon of object aanwezig is. Hiervoor volstaat een brede 2.8 mm lens over de gehele breedte van de oprit.
- Observeren (62 px/m): Het waarnemen van details van de omgeving en kleding.
- Herkennen (125 px/m): Met grote zekerheid vaststellen of u de persoon eerder heeft gezien. Dit vereist een smallere hoek (bijvoorbeeld 4 mm of 6 mm) naarmate de afstand groter wordt.
- Identificeren (250 px/m): Het onomstotelijk vaststellen van de identiteit van een onbekende of het lezen van een kentekenplaat. Voor een entree is dit cruciaal; de camera moet hier direct op het gezichtspunt gericht zijn met een relatief smalle kijkhoek.
Montagehoogte en de hellingshoek: de geometrische factor
Niet alleen de horizontale hoek is van belang, ook de verticale hellingshoek (de declinatiehoek) speelt een cruciale rol. Wanneer een camera te hoog wordt gemonteerd en te steil naar beneden is gericht, legt deze voornamelijk de bovenkant van hoofden of autodaken vast. Dit minimaliseert de kans op bruikbare gezichtsidentificatie.
De optimale montagehoogte voor een camera bij de entree ligt tussen de 2,20 en 2,50 meter. De hellingshoek ten opzichte van de horizon mag idealiter niet groter zijn dan 30 graden. Binnen deze geometrische grenzen blijft het gezicht van een naderend persoon lang genoeg in het actieve detectieveld onder een naderende, natuurlijke hoek. Voor een oprit, waar de afstand tot het voertuig vaak groter is, kan de camera iets hoger hangen om een beter overzicht te behouden, mits de brandpuntsafstand hierop is aangepast om de lagere pixeldichtheid te compenseren.
Blinde vlekken elimineren en de invloed van licht
Elke camera heeft een dode hoek direct onder de montagepositie. Bij een oprit kunt u dit oplossen door de camera kruislings te laten kijken: een camera die aan de linkerkant van de gevel hangt, kijkt naar het rechterdeel van de oprit en vice versa. Dit maximaliseert de effectieve reistijd van een object door het beeldveld.
Houd bovendien rekening met de inval van direct zonlicht. Een camera die pal naar het oosten of westen is gericht, zal tijdens de zonsopgang of zonsondergang te maken krijgen met sterke tegenlichtsituaties. Dit kan leiden tot onderbelichting van de voorgrond (silhoueteffect). Positioneer de camera daarom bij voorkeur zo dat de zon zich gedurende de belangrijkste uren van de dag achter of aan de zijkant van de lens bevindt.